Wie zijn we? Wat je zegt ben je zelf…!!


Carrouselpreek zondag 24 januari 2016

Corine Beeuwkes

Lezingen: Leviticus 23:39-44 en Markus 7:24-30

Vreemdeling. Hoezo vreemd?
Het is maar van welk perspectief je het bekijkt.
In Nederland zijn het alle niet-Nederlanders; in Europa alle niet-Europeanen, enz.
In de Bijbel zijn alle niet-joden vreemdelingen: ook wel heidenen genoemd. Goyim.
In de Koran zijn alle niet-moslims ‘Yahiliya’s’: onwetenden = zij die de Islam (nog) niet hebben omarmd.
De vreemdeling is dus niet alleen diegene is die van elders komt, maar ook degene die mijn levensbeschouwing niet deelt en er andere normen en waarden op na houdt.

In het voorgelezen gedeelte uit Markus struikel ik over de toevoeging in de NBV- vertaling dat de Syro-fenycische vrouw ‘niet-joods’ was.
In de grondtekst staat dat er helemaal niet en gaat het om een Hellenistische (Griekse) van geboorte uit Syro-Fenicië.

De Bijbelvertalers zetten hiermee de vrouw als ‘vreemdeling’ te boek. Daarmee zetten zij deze vrouw zonder naam (!) in een bepaalde hoek. Haar rol in dit verhaal is daarmee vastgelegd.

Jezus ontmoet deze vrouw.
Op zich al bijzonder dat deze ontmoeting plaatsvindt. Dat deze vrouw het aandurft om deze joodse man, Jezus, op te zoeken en aan te spreken. Zij gaat hiermee een grens over. Letterlijk en figuurlijk.
Bijzonder in die tijd, in die cultuur ook.
De omgangsregeling tussen mannen en vrouwen was een andere dan die wij gewend zijn en normaal vinden. Hoe problematisch die verschillen van omgang tussen mannen en vrouwen kan zijn, merken we aan den lijve in Europa.
We zijn van elkaars manieren zo slecht op de hoogte en dat geeft grote botsingen en veel onbegrip. We vinden elkaar vreemd.

In een ontmoeting met een ander leer je niet alleen de ander maar ook je zelf beter kennen. Bijvoorbeeld: in de ontmoetingen met een groep Moslima’s in Helmond ontdekten we hoe gastvrij zij zijn. Een feestelijk gedekte tafel vol lekkernijen stond op ons te wachten, terwijl wij bij een eerder bezoek aan ons hen met koffie en een koekje hadden getrakteerd…Hoezo vreemd?

Je ziet jezelf door de ogen van de ander…
Je houdt elkaar als het ware een spiegel voor…

Ook de ontmoeting tussen Jezus en de vrouw doet iets met hen allebei.

In eerste instantie is er die weerzin bij Jezus op het verzoek van de vrouw.
Hoe hard klinken zijn woorden: ‘Eerst moeten de kinderen te eten krijgen. Het is niet juist het brood te pakken dat voor de kinderen bestemd is en het de honden voor te gooien’ (vs.27).
Het doet je denken aan de uitspraak die in Matheus wordt toegeschreven aan Jezus, als onderdeel van de Bergrede, wanneer hij zegt: “Geef wat heilig is niet aan de honden, want ze komen terug om u te verscheuren; gooi uw parels niet voor de zwijnen, want ze vertrappen die met hun poten” (Mt.7:6).
Wat klinkt dat hard! Hoe vreemd klinken ze ons in de oren van onze ‘vertrouwde‘ Jezus!
Zo kennen we hem niet!

Hij reageert uiterst bot en laat de vrouw goed voelen dat zij ‘maar’ een heidense is. ‘Eerst moeten de kinderen te eten krijgen; dan pas de hondjes’.
Zijn antwoord is duidelijk.
De ‘kinderen’ zijn de joden en met de ‘hondjes’ worden de niet-joden, de heidenen bedoeld. Zij hebben (volgens Jezus’ woorden) geen recht op het voedsel dat voor de kinderen bestemd is. Eigen volk eerst.

Vreemde woorden uit een vertrouwde mond…

Maar daar neemt deze heidense vrouw geen genoegen mee. Ze laat zich niet afschepen en ze laat zich niet uit het veld slaan door de woorden van Jezus. Ze pakt hem met diezelfde woorden terug, zou je kunnen zeggen, door die beeldspraak over te nemen.

Ze ontkent niet wat Jezus gezegd heeft, maar ze vult zijn woorden aan.
Als vrouw en moeder weet ze dat het beeld van Jezus in de praktijk van alledag er anders uitziet dan in theorie. Tijdens de maaltijd zorgen de hondjes er wel voor dat zij de kruimels die de kinderen laten vallen meteen naar binnen schrokken!

M.a.w. de kinderen en de hondjes eten (bijna) tegelijkertijd!

Jezus wordt door een heidense vrouw, een vreemdelinge, er op gewezen, dat je als mens een verantwoordelijkheid hebt voor de wereld om je heen.
Zij houdt hem een spiegel voor als het ware.
En Jezus verlegt zijn grenzen. Hij ‘groeit’ als het ware in zijn roeping dankzij deze niet-joodse vrouw. Een vreemdelinge opent hem hier de ogen.

Weet hij wel hoe vreemd hij zelf is?
Overal en nergens thuis?
Geboren als vluchteling, die van zichzelf heeft gezegd: ’De vossen hebben holen en de vogels nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste neerleggen’.

Ook de rol van de vrouw spreekt boekdelen.
Als vreemdeling begint ze aan dit gesprek, maar al spoedig blijkt zij meer vertrouwd te zijn met de roeping van elk mens: om je naaste lief te hebben als je zelf…
Is deze vrouw nu ‘bekeerd’? zal ze Jodin geworden zijn?
Er wordt helemaal niet gesproken over het geloof; ze gaan met respect voor elkaar ook weer uit elkaar. Ze hebben elkaar verder geholpen op hun levenspad.

Zo zou je het leven als een soort van pelgrimstocht kunnen beschouwen.
We zijn (bijbels gezien) allemaal als vreemdelingen onderweg.
Mensen onderweg, zich richtend op een horizon die ze nooit helemaal bereiken. Dat doet me denken aan het gebod om het Loofhuttenfeest te vieren in Lev.23. Het Loofhuttenfeest is een pelgrimsfeest: mensen zijn als pelgrims onderweg (pelgrim < lat. Peregrinus = vreemdeling !!).

De loofhut symboliseert dat mensen nooit definitief een vaste woning hebben, geen gegarandeerd bestaan. Want zij bouwen slechts hutten om een tijdje te schuilen en verder mogen ze vertrouwen dat God hen op een of andere wijze behoedt, zoals hij in het verleden zijn volk onderweg behoedde en leidde.

En op die pelgrimstocht ontmoeten we mensen. Vreemden.
Juist in de ontmoeting ontdekken we hoe anders (vreemd) die ander is maar ook dat dat waarschijnlijk wederzijds is.
In die ontmoeting heb je elkaar iets te bieden. Over en weer.

En ontdek je dat er naast alle verschillen er ook dingen zijn die verbinden. Al was het maar de angst voor die ander, het andere, het vreemde.
Die angst kennen we allemaal. Om over die angst heen te stappen, grenzen over te gaan, ruimte te scheppen voor jezelf en voor de ander: het is een levenslang leerproces. Misschien helpt het als we elkaar geen ‘vreemdeling’ meer noemen…

Noem mij geen vreemdeling.
Ik spreek een andere taal,
maar mijn gevoelens zijn hetzelfde.

Noem mij geen vreemdeling:
grenzen zijn door ons getrokken
en het resultaat is dat we van elkaar gescheiden zijn.

Noem mij geen vreemdeling:
ik wil samen leven,
vooral wanneer mijn hart vol is van eenzaamheid.

Noem mij geen vreemdeling:
ik probeer mij hier thuis te voelen, omdat mijn huis hier ver vandaan is.

Noem mij geen vreemdeling:
we verlangen op verschillende manieren naar gerechtigheid en vrede, maar we zijn allen kinderen van God.

Noem mij geen vreemdeling:
de kleur van mijn paspoort is anders,
maar de kleur van mijn bloed is hetzelfde. (uit: Omkeer, november 2003)

De theatervoorstelling ‘As I left my fathers house’(vr.26/2 in Helmond!!)) toont dat zo mooi aan: vanuit verschillend religieus perspectief wordt ons 3 vluchteling-verhalen verteld (waar gebeurde verhalen); ze lijken zo totaal verschillend maar uiteindelijk gaat het om 1 vraag: mag ik dan bij jou? De vraag om een plek onder de zon om te leven en te spelen is de levensbehoefte van elk mens. Helmond, Corine Beeuwkes-van Ede