Waar komen we vandaan? Wonen overal nergens thuis


Preek 24, 31 januari en 7 februari

Carrouseldiensten Nuenen, Helmond en Someren

Ds. Christien Crouwel

Thema: Wonen overal nergens thuis.
Lezingen: Deuteronomium 5: 12 – 15, Psalm 119: 19 – 20

Waar komen we vandaan? Wie zijn we? Waar gaan we naartoe?

 

Inleiding bij het thema

‘Wonen overal nergens thuis’. Dat is het overkoepelende thema van deze serie carrouseldiensten die vandaag in onze regio van start gaat. Een serie diensten over vreemdelingschap.

In het afgelopen jaar werd Europa geconfronteerd met een enorme golf vluchtelingen. Mensen die om verschillende redenen hun land verlieten om binnen de Europese grenzen een nieuw bestaan te zoeken. Oorlogsslachtoffers, ontheemden, gelukszoekers… Ze kregen verschillende namen, maar hadden en hebben één ding gemeen: Ze zijn vreemdelingen.

Wat vreemd is, roept bij ons mensen in eerste instantie een afwachtende, misschien zelfs angstige of afwerende reactie op. Wat vreemd is, is immers niet vertrouwd. Je weet niet wat je kunt verwachten. En wie vreemd is, is dus ook niet vertrouwd. In het beste geval zijn er vragen: Wie ben je? Waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe?

De stroom nieuwsberichten over de vele vluchtelingen heeft ons, voorgangers van de werkgemeenschap Helmond, ertoe aangezet het begrip vreemdelingschap te onderzoeken, aan de hand van precies die drie vragen. En die drie vragen direct ook maar aan onszelf te stellen: Wie zijn we? Waar komen we vandaan? Waar gaan we naartoe? We doen dat aan de hand van verschillende bijbelteksten.

Want als we meer inzicht in die vragen krijgen met betrekking tot ons eigen leven, dan kan dat ons ook meer inzicht geven in de levens van al die mensen die nu als vreemdeling in ons midden verkeren.

Vandaag bezinnen we ons op de vraag ‘Waar komen we vandaan?’ De andere weken komen de andere twee vragen aan bod.

Preek

‘Al zijn wij vreemdelingen, in schande en in scha’… Dat zongen we als met één stem in ons openingslied.

Als we het gaan hebben over vreemdelinschap, en wat het betekent vreemdeling te zijn dan is het goed om eerst eens naar onze eigen ervaringen te kijken. Dat is dus de vraag waarmee ik zou willen beginnen en die ik u zou willen voorleggen: is er een moment geweest waarop u zich vreemd, misschien zelfs ontheemd, voelde?

Wanneer was dat? Hoe voelde dat? Wie of wat hielp u toen? (Rondje met de microfoon).

Als er één volk is geweest dat altijd ontheemd is geweest – wonen overal nergens thuis – dan is dat het bijbelse volk Israel. Een nomaden-volk, dolend door de woestijn, op weg naar een beloofd land.

Zou je mensen van dat volk vragen ‘waar komen jullie vandaan? Wat was jullie thuis?’ Dan zouden ze antwoorden: ‘Wij waren nooit ergens thuis. Wij zijn altijd vreemdelingen geweest in een vreemd land’. En ze zouden vertellen over hun bestaan in Egypte. Hoe ze, als vreemd volk, door de farao als slaven waren ingezet. Bouwen moesten ze, tot meerdere eer en glorie van diezelfde farao. Tot dat moment kwam dat één van hen, Mozes, door die heel andere God geroepen werd hen weg te leiden uit Egypte.

Als je verder zou vragen, dan zouden ze vertellen over hun barre tocht en hoe ze op de moeilijkste momenten in de woestijn gewenst hadden dat ze nooit gegaan waren. Dat ze zelfs terugverlangd hadden naar hun slavenbestaan, waar ze weliswaar niet vrij waren geweest, maar wel te eten hadden gehad. ‘Waren we maar bij de vleespotten van Egypte gebleven..’ Een volk waarvan de identiteit in één woord te vangen zou zijn: Vreemdelingen.

Als datzelfde volk Israel op het punt staat het beloofde land binnen te gaan, ontvangt het via Mozes van dezelfde God die hen heeft bevrijdt tien leefregels. Tien leefregels om het samenleven in dat nieuwe land goed te laten verlopen. Tien regels die alles wat niet goed was, waar het volk zelf onder heeft geleden, zal corrigeren.

‘Bedenk dat jullie zelf slaaf waren in Egypte tot ik jullie bevrijdde’, zegt God. ‘Zeven dagen per week moesten jullie zwoegen. Nooit hadden jullie, als slaven, rust. Daarom luidt de nieuwe regel: Vanaf nu zul je niet zeven, maar slechts zes dagen werken. Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag! En wat meer is: dat zal niet alleen voor jullie zelf gelden, maar voor iedereen. Ook voor jullie eigen personeel.’

Prachtig wat hier gezegd wordt: de eigen ervaring van het volk Israel vormt de basis voor een positieve, bevrijdende regel, die niet alleen effect zal hebben op het leven van Israel zelf, maar ook op anderen. Niet alleen Israel zal nooit meer hoeven te lijden onder een 24 uurs slavensysteem, maar ook niet de mensen die voor hen zullen werken, hun eigen slaven en slavinnen. Een ongehoord emanciperende regel in die tijd. Een CAO voor slaven, avant la lettre.

Iets verder in het boek Deuteronomium doet God hetzelfde als het gaat om de ervaring van Israel vreemdeling te zijn. Ook die existentiële ervaring vormt de basis voor een nieuwe, bevrijdende leefregel: ‘Behandel vreemdelingen met liefde, want u bent zelf vreemdeling geweest in Egypte.’

De wetten die God geeft, komen dus niet volstrekt willekeurig uit de hemel vallen, als corset van stijve regels die de nieuwe vrijheid van dit volk eens even zal insnoeren, (en later ook onze vrijheid – want hebben velen van ons dat vroeger niet zo ervaren,

het opgeheven vingertje van ‘Gij zult niet!’), maar zijn juist gebaseerd op de eigen ervaring van dat volk zelf slaaf en vreemdeling te zijn geweest. Die eigen ervaring vormt de basis voor een nieuwe praktische ethiek.

Eigenlijk net als in de gulden regel: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Of zoals Jezus het later positief zal formuleren: ‘Behandel anderen zoals je wilt dat ze jou behandelen.’

Daarom is het goed van tijd tot tijd je eigen ervaringen te onderzoeken, zoals we aan het begin van deze overweging deden. Hoe voelde ik me toen ik vreemdeling was? En wie of wat hielp mij, om me thuis te voelen?

We zijn zelf weliswaar geen slaven geweest, maar op dezelfde manier kunnen we onszelf ook de vraag stellen: Hoe was het toen ik mezelf onvrij voelde? Toen ik het idee had slaaf van iets of iemand te zijn? Wat was toen bevrijdend?

Die ervaringen helpen ons om vorm te geven aan onze omgang met anderen. Ze helpen ons als we nadenken over regels die onze samenleving humaan kunnen maken en houden.

Terug naar de beginvraag. Waar komen we vandaan?

Wij waren geen slaven. Wij waren misschien ook nooit echt vreemdelingen. Maar wij delen wel één menselijke ervaring. Dat is de ervaring dat, hoe prettig en comfortabel ons leven ook mag zijn, hoezeer we ons ook omringd weten door lieve familie, vrienden en kennissen, we in het leven zelf nooit werkelijk thuis zijn.

Hoe goed we het misschien ook hebben: Er zal in ons leven altijd een ‘rest’ zijn die voelt, weet, ervaart: Dit leven is niet ‘thuis’. Dit leven is niet ‘hemel op aarde’. En ieder die het minder goed getroffen heeft in het leven, weet dat sowieso al.

De Duitse filosoof Ernst Bloch zei het zo: ‘Heimat ist der Ort wo noch niemand war’. Heimat, dat onvertaalbare woord, betekent zoiets als vaderland, maar nog veel meer: de plek waar je thuis bent. Die plek, zegt Bloch, is de plaats waar nog niemand was.

Als we vragen: ‘Waar komen we vandaan?’ dan is het existentiële antwoord: We komen allemaal uit een ontheemd bestaan.

Of zoals een andere Duitse filosoof, Heidegger het zei: We zijn allemaal mensen die in het bestaan geworpen zijn.

Zoals ook de psalmdichter zegt: ‘Ik ben vreemdeling op aarde’. Niet alleen op ‘dit stukje’ aarde, maar fundamenteel, als mens.

Maar daar blijft het niet bij. De psalmdichter weet ook dat hij, net als het volk Israel, net als ieder mens, daarom des te meer aangewezen zijn op die bevrijdende geboden van de Eeuwige. ‘Verberg uw geboden niet voor mij. Mijn ziel kwijt weg van verlangen naar uw voorschriften, dag en nacht.’

Hier spreekt geen regelknecht, maar iemand die beseft dat het zonder nieuwe ethiek,

zonder regels die het welzijn van ieder mens op het oog hebben een chaos wordt.

Juist vanuit de gedeelde ervaring allemáál in bepaalde mate vreemdeling te zijn op deze aarde, in het bestaan geworpen te zijn, nog niet werkelijk thuis te zijn, worden de leefregels ons gegeven.

Zoals ook Jezus ons opdroeg: Behandel anderen zoals je zelf behandeld wil worden. Hij deed dat vanuit diezelfde, gedeelde menselijke ervaring.

Want als er nu iemand vreemdeling was, dan hij. Hij hoorde er niet bij, voor hem was geen plaats, behalve aan het kruis. Deze Jezus komt ons leven binnen in iedere vreemdeling die we al dan niet zien staan. ‘Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op.’

Ja, wij zijn vreemdelingen, in schande en in scha, zoals wij zongen. Want deze wereld is niet af, is nog niet ons werkelijk thuis. Dat is die pas als God alles in allen zal zijn. Maar wij zongen ook: Gij zendt uw zegeningen, halleluja.

Vandaag mogen we die zegeningen begrijpen als regels die ons gegeven worden om deze wereld meer en meer te maken tot plek waar ieder mens thuis mag zijn.

Amen

Christien Crouwel januari 2016